Loebner - Timepieces 1862 - 1944

Gepubliceerd op 18 december 2025 om 18:19

Voor stopwatch-liefhebbers staat één term centraal: Tertienzähler. Dat zijn de hoog-precisie stopwatches waarmee metingen in het honderdsten-van-een-seconde bereik mogelijk werden. Het boek koppelt de onderliggende ideeëngeschiedenis aan namen als Moritz Grossmann en Ignatz Marenzeller, maar het is juist Löbner die dit type instrument in de praktijk doorontwikkelt en er een herkenbaar “Löbner-veld” omheen bouwt: productie, varianten, accessoires, afnemers, en de stap van een los zakinstrument naar een component in een groter meetsysteem. 

 

Wat het verhaal extra tastbaar maakt, zijn de harde ankers die de auteur opdiept. Zo is er een vroeg getuigenis dat de Tertienzähler al vóór 1881 een exportartikel was—met als opvallende afnemers “veel marines”—en er is zelfs een concrete offerte uit 1890 aan Prof. E. Mach (Praag) met een prijs van 395 mark en een levertijd van ongeveer drie maanden. De productieboog is lang: het boek plaatst de vervaardiging grofweg tussen circa 1880 en 1944, met een geschatte totale output rond ongeveer duizend stuks, en bekende serienummers die (bij de nu bekende exemplaren) lopen van no. 4 tot no. 1002. Dit soort details doet twee dingen tegelijk: het maakt het historisch “echt”, en het geeft verzamelaars meteen de prikkel om te kijken waar hun eigen exemplaren (of die in veilingen) in dat veld passen. 

Technisch is de Tertienzähler precies het soort instrument waar je als stopwatch-verzamelaar warm van wordt, omdat hij laat zien dat “precisie” niet alleen uit een hoge balansfrequentie komt, maar uit een hele keten aan oplossingen. Het boek beschrijft bijvoorbeeld een uitvoering met fusee & ketting voor egalere krachtoverbrenging, gecombineerd met Maltese-cross stopwork om het bruikbare deel van de veer te begrenzen. Er wordt gesproken over een looptijd van circa 45 minuten en een nauwkeurigheid in het bereik van enkele honderdsten – precies de zone waarin je merkt hoe klein de marge is tussen “een mooie stopwatch” en “een meetinstrument”. En tegelijk blijft de bediening vertrouwd: start–stop–zero via een centrale drukker, “zoals een normale stopwatch”, terwijl latere varianten een extra drukker krijgen die het koppelen aan externe systemen praktischer maakt.

 

 

Die koppeling aan externe systemen is eigenlijk het tweede grote stopwatch-thema van het boek. Löbner dacht niet alleen in een horloge dat je in je hand houdt, maar in start- en stopmomenten die objectief, reproduceerbaar en liefst op afstand te triggeren zijn. Daarom komen er elektromagnetische tripping devices langs—hulpen om de Tertienzähler elektrisch te starten en te stoppen—waarbij het boek een ontwikkellijn schetst van circa 1910 tot 1944. Daarmee schuift de stopwatchwereld op naar systeemwereld: draadjes, contacten, releases, en opstellingen waarin een gebeurtenis (een ontsteking, een breuk, een passage) het meetmoment bepaalt, in plaats van de reflex van de tijdwaarnemer. Het boek plaatst zulke toepassingen expliciet in meetopstellingen rond ballistiek en ontstekers, waar je brandtijd of vluchtduur exact wilt vangen.

Naast de honderdstenwereld van de Tertienzähler zet het boek ook de deur open naar een nóg fijnere schaal: de Hipp-chronoscoop. Dat is electromechanische kortetijdmeting waarbij een oscillator rond 1.000 Hz werkt en je in de duizendsten-van-een-seconde kunt meten. Het boeiende is dat het boek niet alleen het “wat” noemt, maar ook het “waarom dit slim is”: een meetmechanisme dat je eerst op snelheid brengt en pas daarna laat meten, zodat het starten van de meting de meting zelf zo min mogelijk verstoort. In die wereld blijken exemplaren met duidelijke Löbner-toeschrijving zeldzaam; er wordt een Löbner-type genoemd met een extra contact aan de achterkant, en van een ouder ontwerp zouden maar twee exemplaren bekend zijn.

Ook hier blijft het verzamelaspect smeuïg. In de jaren 1930 verkoopt Löbner chronoscopen die vermoedelijk door Joh. Hammer (Leipzig) gemaakt zijn; één van de praktische vondsten die het boek beschrijft is een systeem waarbij je de wijzerplaat kunt verdraaien om nul te zetten, zodat je niet eerst een beginstand hoeft te noteren—een kleine ergonomische ingreep die in timingwerk het verschil maakt tussen netjes werken en fouten stapelen. En dan is er die prachtige categorie “goed gedocumenteerd, maar (nog) niet gevonden”: een zogenoemde “tertien” chronoscope die alleen via een prijslijst uit 1938 opduikt, vermoedelijk rond 1937 ontstaan door een Hipp-model om te bouwen naar honderdsten-weergave, terwijl er vandaag geen bekend overgebleven instrument is. Dat is precies het soort passage dat een verzamelaar jarenlang in het achterhoofd houdt. 

Waar het boek vervolgens sterk in is, is laten zien hoe stopwatches (en aanverwanten) in de jaren 1920–1930 de sportwereld veranderen. Onder Johannes Otto Fritz (1925–1944) verschuift de nadruk naar moderne sporttijdmeting: patenten, tijdregistratie, baan- en finishsystemen, en discussies in het vakgebied over allerlei concrete problemen – van bandreleases tot elektrische start/stop en secondecontacten. De auteur illustreert die overgang met beelden en voorbeelden die je bijna hoort: bij de finishlijn van 1928 (Amsterdam) zie je nog duidelijk handstopwatches bij timekeepers, en tegelijk duiken protocollen op waarin je één race letterlijk “hybride” ziet: een winnaar die automatisch gestopt wordt (bijv. 10,4 s) terwijl andere tijden handmatig genoteerd worden. Het laat zien hoe timing niet in één klap modern wordt; het groeit via tussenvormen waarin het systeem het overneemt, maar de stopwatch nog niet verdwijnt – hij verschuift van hoofdrol naar schakel.

 

Het boek laat ook zien dat Löbner’s timingwereld verder reikt dan sport alleen. Een detail dat blijft hangen is een elektrische stopwatch voor industriële tijdmeting (model no. 7 en 8), circa 1935–1944, aangedreven door een 12V DC motor, met wijzers voor seconden/minuten/uren en koppelbaar aan startpistolen of bandreleases. Er is geen bekend overgebleven exemplaar, maar het feit dat het boek hem beschrijft, maakt hem toch “echt”: hij heeft bestaan als productidee en waarschijnlijk als leverbaar instrument. En daarnaast horen racecourse clocks in hetzelfde ecosysteem: niet los van de stopwatch, maar als grotere broer die aan dezelfde timinglogica hangt – ook daar duikt Joh. Hammer weer op als leverancier van uurwerken in de late jaren 1930, waarvan nog enkele bewegingen zouden bestaan. 

Misschien wel het mooiste “stopwatch-moment” uit het boek is wanneer de stopwatch niet meer alleen meet, maar signalen levert. Bij de recordrit van de Opel RAK3 (1928) gaf een Tertienzähler elektrische impulsen aan een time printer. Dat is een klein zinnetje met grote betekenis: de stopwatch als data-bron, als onderdeel van logging avant la lettre. Je ziet daar de route van handmeting naar systeemmeting in één beeld samenvallen. 

Als je het boek na lezing dichtklapt, blijft vooral dit hangen: Löbner is interessant omdat het de stopwatch niet romantiseert, maar serieus neemt als instrument. De Tertienzähler is geen “mooie oude stopwatch”, maar een technisch antwoord op een meetvraag – en dat antwoord wordt in het boek steeds verder verbreed: naar elektromagnetische triggers, contactklokken, sportbanen, printers, en de duizendstenwereld van de Hipp-chronoscoop. Daarmee is dit geen merkcatalogus, maar een geschiedenis van kortetijdmeting waarin de stopwatch continu het middelpunt blijft, zelfs wanneer hij in het systeem soms “alleen nog” de schakel is die het moment omzet in een registratie. 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.