Fedearation Horlogere Suisse (1886-1947)
La Fédération Horlogère Suisse was een vakblad/branchekrant voor de Zwitserse horloge-industrie. Het diende als informatie- en belangenorgaan: nieuws uit de sector, markten en export, regelgeving en handelskwesties, verenigingsberichten, én vaak ook technische en praktische stukken voor professionals. Het blad werd (rond 1890) de officiële “stem” van de Chambre suisse de l’horlogerie, waardoor je er heel direct in terugziet wat er in de industrie speelde—economisch, politiek én technisch.
Dit nummer draait om de staking in Moutier en wat er mis kan gaan als je te laat naar arbitrage grijpt. De ruzie begon bij de remonteurs die een nieuw tarief weigerden (na een wijziging in het “emboîtage”-werk), maar werd al snel ingewikkelder toen ook de poseurs de mécanismes staakten—uit solidariteit of vanwege een (betwiste) prijsverlaging zonder de wettelijke aanzegtermijn. Het arbitrale vonnis bracht de remonteurs terug richting werk, maar de poseurs waren intussen vervangen; toen gebeurde het onverwachte: de remonteurs gaven hun 2% loonsverhoging op zodat de poseurs óók weer geplaatst konden worden—een offer dat de redactie eervol vindt, maar dat tegelijk laat zien hoe rommelig het wordt als afspraken niet vroegtijdig en zwart-op-wit worden vastgelegd. De les die het blad er hard in hamert: eerst bemiddelen/arbitreren, dan pas escaleren, anders eindig je met “marchandage” en een vonnis dat niet volledig wordt uitgevoerd.
In dit nummer probeert de redactie een misverstand weg te nemen: sommige commentatoren (met name het Journal suisse d’horlogerie in Genève) vrezen dat er twee “kampen” ontstaan — een federatie van arbeiders en een federatie van patroons — die elkaar vanzelf zouden bestrijden. De krant zegt: dat is juist de bedoeling van een gezonde federatie. Niet alles hoort in één ongedifferentieerde mega-vereniging; patroons en arbeiders hebben deels eigen belangen en dus eigen syndicaten, maar ze moeten via één centrale federatieve schakel (het centrale comité van de “Fédération générale”) conflicten juist ordenen en beslechten. De arbeiders hebben snel georganiseerd (logisch: makkelijker te bundelen), en het echte risico zit volgens de redactie vooral bij de traagheid/aarzeling van sommige fabrikanten om hun patronale structuur op te bouwen — niet bij “hostiliteit” van arbeiderszijde.
Dit nummer staat volledig in het teken van de grote stichtingsdag: zondag 31 juli moeten patroons- én arbeidersverenigingen elkaar treffen in Neuchâtel (Tonhalle) om eindelijk de Fédération horlogère suisse definitief te vormen. Er staat een strakke agenda: voorlopig bureau, statuten bespreken, federatie constitueren en het Centrale Comité kiezen—met per regio precies vastgelegde aantallen afgevaardigden (fabrikanten, chefs d’atelier en arbeiders). Het blad drukt de statuten (23 mei 1887) nog eens af: een permanent secretariaat als informatiecentrum, verbetering van levensomstandigheden, en vooral een centrale macht voor concilie en verplichte arbitrage bij arbeidsconflicten (lonen, betaling, leertijd, werktijden, veiligheid).
Dit nummer is de triomfantelijke nabeschouwing van 31 juli in Neuchâtel: ondanks zomerdrukte en feestdag-attracties kwamen patroons- en arbeidersdelegaties uit zes regio’s opdagen, het debat verliep opvallend cordiaal, en het resultaat is “inespéré”: de Fédération horlogère is definitief opgericht. De arbeiders vonden de statuten eigenlijk nog te vaag, maar kozen bewust voor snelheid en eenheid: ze accepteerden het Intercantonale-ontwerp (met slechts kleine aanvullingen), omdat uitstel zou leiden tot eindeloze herdiscussie, ontmoediging en afhakers.
Vervolgens krijg je het officiële protocol van het congres, met de aantallen afgevaardigden, de unanieme aanvaarding van de statuten en een paar scherpe “kanttekeningen” die men meteen vastlegt. Belangrijk: verbeteringen in levensomstandigheden (bijv. via coöperaties) mogen nooit als excuus dienen om lonen te verlagen; daarnaast wordt als toekomstwens genoteerd dat werk bij voorkeur binnen de federatie circuleert zodra de organisatie sterk genoeg is.
Dit nummer slaat alarm: er is nu serieus bewijs dat een huis uit Bienne probeert een stuk van de horloge-industrie “over de grens” te planten—met name de fabricage/montage van gouden horlogekasten, zodat men Duitse/Alsaatsche heffingen en controle-gedoe kan omzeilen en goedkoper kan leveren op de Duitse markt. De redactie noemt het bijna een capitulatie voor de “vijand” (buitenlandse concurrentie), juist op het moment dat iedereen in Zwitserland roept om eenheid en solidariteit om de sector te redden; als dit lukt, vreest men een kettingreactie en zelfs Duitse controlekantoren die de Zwitserse rol verder uithollen.
Dit nummer opent met een stevige waarschuwing: contrebande (smokkel) is het onvermijdelijke bijproduct van hoge invoerrechten, en juist horloges lenen zich er perfect voor—klein, waardevol, makkelijk te verstoppen. Daardoor ontstaat een oneerlijk speelveld: nette exporteurs betalen de rechten, terwijl minder scrupuleuze huizen via georganiseerde smokkel (met “garantie tegen alle risico’s”) de markt kunnen domineren. De redactie wikt twee “oplossingen” af—smokkel normaliseren (moreel onacceptabel) of verklikken (onaangenaam)—en komt dan met een praktische, bijna staatsrechtelijke noodgreep: richt een vereniging van fabrikanten op die (1) zélf geen smokkel duldt, (2) informatie bundelt, en (3) bewezen smokkelaars meldt bij douanes, om zo de schade voor de eerlijke meerderheid te beperken.
Dit nummer begint met een sombere constatering: in de horloge-industrie is de loon- en prijsdruk al jaren bijna alleen maar dalend. Een “oplossing” die eerst aantrekkelijk leek — minimumprijzen voor onderdelen en arbeid — wordt hier juist afgebroken als gevaarlijk en vaak onuitvoerbaar: kwaliteit, genres en verschillen in voorafgaande afwerking maken het onmogelijk om eerlijk één bodemprijs vast te leggen, en bovendien zouden betere fabrikanten dan juist naar beneden kunnen “nivelleren”. In plaats daarvan schuift de krant een nuchter hulpmiddel naar voren: bouw per fabriek/atelier een statistiek van gemiddelde verdiensten (inclusief verloren tijd) zodat syndicaten exact kunnen zien wat tariefwijzigingen écht doen, zonder in de val van schijnzekerheid te lopen.
Dit nummer zet de druk erop bij de patroons: de arbeiders zijn al georganiseerd, maar de patronale organisatie blijft achter—en dat is gevaarlijk nu er nieuwe conflicten dreigen. In Bienne neemt de vereniging van fabrikanten/chefs d’atelier het voortouw en roept de hele regio op om op maandag 5 september samen te komen en eindelijk de patroon-afgevaardigde voor het Centrale Comité van de Fédération horlogère te kiezen. Tegelijk barst er bijna een grote staking los: zo’n 800 cadran-schilders en emailleurs willen per 5 september een nieuw tarief ingevoerd hebben dat vooral de prijzen tussen regio’s gelijk trekt (gemiddeld blijft het niveau ongeveer gelijk, maar met winnaars en verliezers). De patroons hebben het tarief wel aanvaard, maar willen uitstel zolang niet alle (ook de terughoudende) patroons meedoen
Vervolgens barst een publieke pennenstrijd los via het Bieler Anzeiger: een anonieme brief verwijt de arbeiders dat het nieuwe tarief geen “gelijkmaking” is maar een forse verhoging; het arbeiderscomité kaatst terug met punten en cijfers (o.a. dat het tarief óók in sommige regio’s juist prijsdalingen afdwingt) en belooft documenten te publiceren. Die documenten komen: een proces-verbaal van 22 april laat zien dat patroons zelf aandrongen op een minimumtarief en arbeiders zelfs vroegen mee te helpen bij de uitvoering—waardoor het patroon-argument “wij wilden dit niet” wankel wordt. En er liggen brieven uit verschillende centra (Genève, Neuchâtel, Fleurier) die de kern blootleggen: het tarief is vooral bedoeld als egalisation tussen regio’s, maar precies dáárom doet het lokaal pijn (soms omhoog, soms omlaag). De redactie vat het hard samen: wie een tarief unaniem accepteert maar daarna de uitvoering blokkeert, speelt met vuur—en als het centrale gezag van de Fédération al volledig zou werken, had men dit via entente/arbitrage kunnen oplossen in plaats van via staking.
Dit nummer kijkt recht in het hart van een nieuwe angst in de Jura: de boîte-or (gouden kasten) ontsnapt niet langer aan de fabrieks- en machineproductie. In La Chaux-de-Fonds botst de sectie van de monteurs de boîtes met de drie grote goudkastfabrieken: de arbeiders vrezen dat de extreme arbeidsdeling hen degradeert tot “hulpjes van machines”, en ze willen daarom dat het achevage niet in stukjes wordt “gebroken” en bij voorkeur per stuk betaald blijft, terwijl de fabrieken eerder richting maandloon sturen—dáár zit de kern van het conflict. Tegelijk trekt de krant een bredere lijn: het echte, pijnlijke gevolg van mechanisatie is dat goede, lang opgeleide vaklieden verdwijnen en dat “goede leerlingen” schaars worden, omdat jongeren voor direct loon de fabriek in trekken. In de tweede grote oproep roept de Fédération des régleurs Breguet fel op tot solidariteit: er zouden “wolven in de kudde” zitten—patroons en leveranciers die prijzen ondermijnen en afspraken saboteren—en men dreigt ze publiek te stigmatiseren en te boycotten. Verder veel organisatie-nieuws: een vergadering van de Intercantonale op 17 september in Neuchâtel.
Dit nummer trekt de lens wijd open: de redacteur verdedigt het bestaan van fabrieken (ook in de boîte-or-sector) tegen het idee dat arbeiders ze “terug zouden moeten draaien”. Machines en arbeidsdeling zijn volgens hem geen complot, maar een historisch gevolg van mechanisatie—en wie denkt de klok terug te kunnen zetten, vergist zich. De echte opdracht is: voorzichtig omgaan met de nieuwe productiewijze, en ervoor zorgen dat de “besparing” door machines óók de levensomstandigheden van arbeiders verbetert, zodat de machine geen onderdrukking maar emancipatie wordt.
Vervolgens schuift de organisatie verder in elkaar: in Neuchâtel (17 september) worden de patronale leden voor het Centrale Comité van de Fédération horlogère aangewezen en wordt alvast een eerste centrale vergadering op 2 oktober aangekondigd om het comité echt aan het werk te zetten. Tegelijk zie je de federatie “uitrollen”: in Genève bespreken meerdere verenigingen de oprichting van een lokale horlogefederatie, en in La Vallée wordt een fabrikantenvereniging gevormd die prijsniveau én kwaliteit wil bewaken.
Dit nummer opent met een schokje: in La Chaux-de-Fonds zouden fabrikanten hebben besloten buiten de Fédération horlogère te blijven. De redactie weigert dat als “oorlogsverklaring” te zien en rekent juist op publieke druk om het grootste horlogecentrum weer aan boord te krijgen—want het echte gevaar is één ding: een sterke arbeidersfederatie zonder patronale tegenhanger om mee te onderhandelen. Meteen daarna gaat het over de start van het echte bestuur: op 2 oktober komt het Centrale Comité voor het eerst samen om een voorzitter en secretaris-generaal te kiezen; Perrenoud lijkt de logische secretaris, maar een voorzitter vinden is lastig omdat hij geen patroon en geen arbeider mag zijn (en liever ook geen staatsfunctionaris).
18870930
Vervolgens verdedigt het blad het hele federatieproject onder de vlag “La fraternité économique”: bij de brodeurs namen patroons het initiatief, maar bij de horlogers luidden juist arbeiders de noodklok—dat patroons nu achterblijven is dus vooral hun eigen keuze, en als ze bang zijn voor eenzijdige macht, moeten ze zich juist organiseren.
Dit nummer draait om één explosief dossier: het conflict in Granges bij de fabriek Obrecht. De Fédération horlogère is al als bemiddelaar bezig, maar toch breekt er een staking uit—en dat vindt de redactie bijna onverteerbaar: staken terwijl de arbitrage net loopt, ondermijnt het hele federatie-idee. Je leest een duidelijke brief van secretaris James Perrenoud (12 okt.) waarin hij zegt: nu beide partijen het arbitragecompromis hebben getekend, moet het werk meteen hervat worden; de staking heeft geen “raison d’être” meer. De krant trekt de principiële lijn keihard: het Centrale Comité is het leidende gezag, geen loket dat achteraf stempelt wat secties al besloten; de Fédération kan deze staking dus niet steunen en moet haar zelfs negeren—zeker omdat een tweede organisatie (de Caisse de réserve suisse) erdoorheen begint te lopen en zo het bemiddelingswerk verstoort.
Dit nummer draait om één explosief dossier: het conflict in Granges bij de fabriek Obrecht. De Fédération horlogère is al als bemiddelaar bezig, maar toch breekt er een staking uit—en dat vindt de redactie bijna onverteerbaar: staken terwijl de arbitrage net loopt, ondermijnt het hele federatie-idee. Je leest een duidelijke brief van secretaris James Perrenoud (12 okt.) waarin hij zegt: nu beide partijen het arbitragecompromis hebben getekend, moet het werk meteen hervat worden; de staking heeft geen “raison d’être” meer. De krant trekt de principiële lijn keihard: het Centrale Comité is het leidende gezag, geen loket dat achteraf stempelt wat secties al besloten; de Fédération kan deze staking dus niet steunen en moet haar zelfs negeren—zeker omdat een tweede organisatie (de Caisse de réserve suisse) erdoorheen begint te lopen en zo het bemiddelingswerk verstoort.
Dit nummer laat zien dat Genève tóch in beweging komt: waar de Geneefse pers eerst suggereerde dat Genève “minder geraakt” was en dus buiten de Zwitserse federatie kon blijven, ligt er nu een concreet statutenproject voor een Fédération horlogère genevoise—inhoudelijk vrijwel gelijk aan dat van de Fédération horlogère suisse, met hetzelfde idee van verzoening en arbitrage als kern.
Daarna volgt het grote dossier Granges (Obrecht): de staking heeft uiteindelijk 25 dagen geduurd en de krant wijst vooral naar de Caisse de réserve suisse, die volgens haar het conflict onnodig heeft aangewakkerd. Het Centrale Comité (28 okt., Bielerhof) spreekt een voorlopig vonnis uit omdat de loonstatistieken van beide kanten elkaar tegenspreken: Perrenoud en Dubois krijgen opdracht de cijfers te controleren; intussen moet het werk direct hervat, Obrecht moet tegen de oude prijzen betalen en niemand mag ontslagen worden vanwege deelname aan de staking. Vervolgens trekt het Comité de teugels keihard aan: elke sectie die zonder toestemming staakt, kan voortaan meteen uit de Fédération worden gezet—en het Comité ontkent opnieuw unaniem elke “officiële band” met de Caisse de réserve.
In de rest van het nummer zitten twee opvallende “praktijkblokken”: (1) de Geneefse ontwerpstatuten (met neutrale, geheimhoudingsplichtige leiding en bindende arbitrage), en (2) een handelsles uit Constantinopel: verkoop lukt alleen met een betrouwbare agent, lange termijnen (geld is duur, ~12% rente), en slimme afwikkeling via banken en wissels.
Dit nummer werkt één groot dossier uit dat na Granges als vanzelf urgent is geworden: de Fédération wil een eigen centrale kas tegen werkloosheidsrisico (en in uiterste nood ook steun bij conflicten), maar dan binnen de Fédération—niet via de omstreden Caisse de réserve suisse. De redactie legt uit hoe die “toetreding” tot de Caisse in juni eigenlijk langs een procedurele zijdeur is binnengerold (op dag 2, met veel delegaties al naar huis) en dat de feiten sindsdien duidelijk zijn: twee organisaties met tegengestelde methoden kun je niet tegelijk laten draaien. Daarom het plan: bouw een federatie-eigen kas op met vaste contributies, alleen voor aangesloten syndicaten, en vul het startkapitaal desnoods creatief aan met concerten/avonden, tombola’s of loterijen—“het geld als zenuw van de oorlog” moet hier juist de zenuw van de vrede worden.
Daarna schakelt het blad naar een lang, analytisch stuk over wereldtentoonstellingen: ze versnellen technische en esthetische vooruitgang, maar vragen om een slimme Zwitserse deelname aan Parijs 1889 (liefst collectief en geselecteerd, anders verdrink je tussen de massa). In het conflictdeel volgt “Porrentruy”: een brief zet recht dat een korte werkonderbreking niet “aangestoken” is door het federatief comité, en er wordt opnieuw het harde statuutprincipe herhaald: staken zonder expliciete toestemming van het Centrale Comité = directe uitsluiting. Vervolgens barst er nog een nieuwe pennenstrijd los: de vicevoorzitter van de Caisse de réserve (Reichel) dreigt Heng met een publiek “dementi”, maar Heng weigert—hij dient de Fédération en erkent alleen haar Centrale Comité als gezag. Tot slot veel branchepraktijk: Engeland wil onder de nieuwe Merchandise Marks Act herkomstmarkering strenger maken (speciale poinçon/insculpatie), Locle bespreekt leerlingbeperking bij graveurs/guillocheurs, en als belangrijk signaal: de Société des fabricants d’horlogerie de La Chaux-de-Fonds besluit unaniem toe te treden tot de Fédération.
Dit nummer zet de boîtiers (kastmakers) in de spotlights als voorbeeld van hoe je wél organiseert: arbeiders zijn snel gegroepeerd (bijna 2.000 leden, strenge discipline, eigen blad), en de patroons hebben ook een complete structuur met gemengd arbitraal tribunaal en een informatiebureau (met Perrenoud als spil). Maar juist daarom is de krant scherp over het slepende conflict in La Chaux-de-Fonds rond de gouden kasten: drie fabrikanten stappen uit de patronale vereniging om arbitrage te ontwijken, waardoor het officiële orgaan tijdelijk “machteloos” lijkt. De redactie waarschuwt: als dit te lang duurt, vormen de fabrieken hun personeel simpelweg met arbeiders uit andere branches—en dan ontstaat precies waar men bang voor is: een nieuwe klasse ongeschoolde ‘ouvriers-manœuvres’ door extreme arbeidsdeling; daarom moet er snel een compromis komen met wederzijdse concessies
Dit nummer is vooral “van papier naar praktijk”: nu de Fédération horlogère écht bestaat, moet ze ook geld, structuur en slagkracht krijgen. Het blad werkt daarom het budget uit: met een vaste jaarlijkse bijdrage (in het voorstel: 10 fr. per patroon en 50 ct. per arbeider) kan de Fédération een permanent commercieel informatiebureau draaiend houden—juist omdat het probleem volgens de redactie niet alleen sociaal is, maar vooral commercieel (prijzen, export, coördinatie). Tegelijk wordt de lijn over conflicten keihard herhaald: staking = oorlog, arbitrage = vrede, en het Centrale Comité bevestigt opnieuw dat elke sectie die zonder expliciete toestemming staakt automatisch uit de Fédération vliegt. In hetzelfde nummer klinkt de onrust rond de boîte-or in La Chaux-de-Fonds door: boîtiers waarschuwen dat extreme arbeidsdeling de vakopleiding sloopt en dat fabrieken onder dezelfde tariefvoorwaarden moeten vallen als ateliers; bemiddeling lukt nog niet echt.
Dit nummer opent met een bijna satirische scène uit La Chaux-de-Fonds: een “fabrikant” biedt zilveren horloges aan voor 15 fr. terwijl een Russische koper diezelfde horloges net elders voor 18 fr. heeft gekocht—en neemt ze meteen mee. De krant zet het neer als symptoom van een zieke markt: ofwel pure uitbuiting door “avillisseurs” (prijsvervuilers), ofwel knulligheid van makers die hun kostprijs niet kennen, maar in beide gevallen gaat de hele sector eraan kapot; men hint zelfs dat men zulke personen ooit met naam en adres publiek zal moeten noemen.
Daarna volgt een fel, actueel opiniestuk over concordaten (akkoorden met schuldeisers): niet het systeem is fout, maar het misbruik ervan. Wie eerst bewust onder kostprijs verkoopt om concurrenten te breken en daarna via een concordaat “schoongewassen” verdergaat, is volgens het blad een moreel en economisch gif—en het ergste is dat schuldeisers dit soms zelf mogelijk maken. De krant pleit daarom voor strengere voorwaarden: een concordant moet alles geven wat hij redelijkerwijs kan, onder toezicht, zodat hij niet opnieuw met dumpprijzen buitenlandse markten kan verzieken.
Dit nummer is een wake-upcall aan de eigen achterban: iedereen wil (terecht) een federale kas tegen werkloosheidsrisico, maar sommige syndicaten—met name de faiseurs d’échappements—dringen zo hard door dat het dreigt te ontsporen. De redactie zegt: wacht niet passief op het Centrale Comité alsof het alles alleen kan; de Fédération groeit alleen als de syndicaten zélf initiatief blijven nemen én weer serieus propaganda/werving doen. Ze waarschuwt zelfs dat een beslissing van één syndicaat, als die “irrévocablement” wordt uitgevoerd, een splijtzwam kan worden in de arbeidersorganisatie; daarom pleit men voor een nieuw arbeiderscongres (bij voorkeur rond 23 januari, de “verjaardag” van de arbeidersfederatie) om de eensgezindheid te herstellen.
Daarna krijg je een lang en zeer concreet jaarverslag van de Fédération des fabricants de cadrans (congres 4 dec., Porrentruy): hoe het begon met een noodkreet uit La Chaux-de-Fonds, hoe de organisatie in 1887 stap voor stap werd opgebouwd, en hoe de grote staking van 5 september uitbrak maar via het Locle-congres eindigde met werkhervatting per 12 september en definitieve tarieven/reglementen.
Dit nummer opent fel met de vraag “Wat is een patroon?” en zoomt in op het spanningsveld binnen de jonge horlogefederatie: waar eindigt de arbeider en begint de werkgever, vooral bij chefs d’atelier en kleine patroons die zelf meewerken. Aanleiding is het congres in St-Imier (5–6 juni), waar discussie ontstaat over “syndicats mixtes” (gemengde vakverenigingen met zowel patroons als arbeiders). De krant kiest een heldere definitie: een patroon is iemand die winst maakt op werk dat hij door anderen onder zijn leiding laat uitvoeren — niet het aantal werknemers of het feit dat hij zelf meewerkt, is doorslaggevend.
Dit jaar-eindnummer kijkt terug én vooruit: 1887 bracht de Fédération horlogère eindelijk op gang (arbeiders per métier, patroons/exporteurs aan de andere kant), en de vrede binnenshuis via conciliation/arbitrage begint al effect te hebben—maar commercieel is er nog te weinig tastbaars, vooral omdat de startfase te veel tijd opslokte. De grote opdracht voor 1888 heet daarom autonomie: de Fédération moet “meester in eigen huis” zijn en zich los houden van externe invloeden (met name de Caisse de réserve), anders verliest ze precies haar kracht. Vervolgens wordt het heel concreet: Perrenoud en het comité vragen de Bondsraad om een federale subsidie van 6.000 frank, omdat de kas leeg is en men schulden heeft aan de Intercantonale en particulieren; men wil daarna met 30.000 handtekeningen aantonen dat dit een zaak van nationaal nut is. Ondertussen staat de agenda voor het Centrale Comité (2 jan. 1888, Bielerhof) al klaar: financiën/begroting, bijdragen en inning, én het vonnis in het conflict Granges.